Posts tonen met het label Vasalis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vasalis. Alle posts tonen

woensdag 12 augustus 2026

Vasalis, gedicht bewerkt tot proza, door Cecle Koops

 De leden van de Schrijverskring verzinnen regelmatig een opdracht om de schrijfspieren te oefenen. Zo stelden we onszelf tot doel een gedicht naar keuze te nemen en dat te vertalen naar een prozatekst. Cecile koops koos voor een gedicht van Vasalis, hieronder volgt het gedicht en haar uitwerking.

Tijd

Ik droomde, dat ik langzaam leefde .... 
langzamer dan de oudste steen.
 
Het was verschrikkelijk: om mij heen
 
schoot alles op, schokte of beefde,
 
wat stil lijkt. 'k Zag de drang waarmee
 
de bomen zich uit de aarde wrongen
 
terwijl ze hees en hortend zongen;
 
terwijl de jaargetijden vlogen
 
verkleurende als regenbogen ...
 
Ik zag de tremor van de zee,
 
zijn zwellen en weer haastig slinken,
 
zoals een grote keel kan drinken.
 
En dag en nacht van korte duur
 
vlammen en doven: flakkrend vuur.
 
- De wanhoop en welsprekendheid
 
in de gebaren van de dingen,
 
die anders star zijn, en hun dringen,
 
hun ademloze, wrede strijd ...
 
Hoe kón ik dat niet eerder weten,
 
niet beter zien in vroeger tijd?
 
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

-------------------------------------
uit: 'Parken en woestijnen', 1940.

Schrijver: M. Vasalis

 Tijd

 Ik doe een dutje, zodra ik opkijk lijkt de wereld anders. Uit mijn tuin klinken onheilspellende geluiden. Een blik door het venster stelt niet gerust. Ik open de terrasdeuren. Met krakend geweld schiet de kastanjeboom voor mijn ogen omhoog, het gras groeit een meter de lucht in en nog is het einde niet bereikt. Met mijn eigen lichaam lijkt op het eerste oog niets aan de hand te zijn. Maar in het bescheiden lapje grond achter mijn huis des te meer. Hoewel de natuur altijd een grote liefde van mij is, kijk ik nu met een aan horror grenzende fascinatie naar buiten. De lucht kleurt binnen een minuut beurtelings blauw en gitzwart en het weer gaat van verschroeiende zonneschijn naar dikke winterse buien. Wat is er in godsnaam met het kalme ritme van de seizoenen aan de hand?

Een buurvrouw die probeert de was op te hangen, jammert over de schutting. ‘Dit is het einde van de wereld.’

Ik weet niet wat te antwoorden. In paniek vliegen vluchten kwetterende vogels over. Mijn tuin lijkt inmiddels meer op een moeras. Een dikke smurrie van slib en drek vult de eens zo lieflijke paden langs de beplanting die inmiddels epische proporties heeft aangenomen. Ofschoon de metershoge felblauwe ridderspoor prachtig is om te zien, boezemt het ontzagwekkende ding ook angst in. Ik zie hoe jarenlang tuinieren en snoeien in één klap om zeep geholpen wordt en kan mijn ogen niet van het schouwspel afwenden. Allerlei wilde scenario’s vliegen door mijn hoofd, maar een bevredigende verklaring voor deze chaos valt niet te geven. De planten die omhoog schieten maken meer lawaai dan het ontploffen van het zwaarste vuurwerk. Een muur van water uit het nabijgelegen Gooimeer legt alle schuttingen plat en overspoelt de landelijke tuinen. De zee als achtertuin buldert. In paniek sluit ik de tuindeuren, maar het water golft er al onderdoor en zet mijn benedenverdieping in een oogwenk onder water. Ik snel de trap op terwijl door mijn hoofd spoelt dat de noodradio beneden ligt, net als de flessen water en mijn noodrantsoen. Blijft het boven droog of moet ik door naar zolder? Ik werp een blik naar buiten, in het water beneden drijven de lichamen van katten en honden die niet tegen het geweld van het water op konden. Hoe kan ik dit beeld ooit weer van mijn netvlies krijgen?

Overmand door moeheid sluit ik even mijn ogen…